Appels en bomen

“Jou wou ik nou net even spreken. Heb je even?” Een moeder spreekt een vader aan op het speelplein. “Euhm, ja, prima. Nu, hier?” Zoveel voortvarendheid is de vader blijkbaar niet gewend. Hij kijkt nog eens op zijn horloge en knikt. “Zeg het maar.” Het is blijkbaar een ambtenaar van beroep.

“Dat mijn zoon die van jou schijnt te pesten. Daar wou ik het even over hebben.” Ze heeft er zin in, te horen aan haar ik-duld-geen-nee manier van praten. “Ik ga me daar dus echt niet meer  mee bemoeien. Ik heb het er over gehad thuis, maar hij ziet niet in wat er erg is aan zijn gedrag. En hij heeft het niet van mij. Ik zou dus niet weten wat ik er aan zou moeten doen. Dus. Dat jullie het even weten.”

Ik luister wel vaker gesprekken af, meestal per ongeluk, maar door dit gesprek val ik bijna van mijn fiets. En de vader ook, zo te zien. Het is dat hij hele kleine oren heeft, anders zou hij er mee klapperen. Pardon?! Wil ik bijna uitroepen. Maar ja, ik luister alleen maar af, dus dan heb je denk ik geen recht van spreken.

“Uehm, maar denk je niet dat wij als ouders juist iets moeten vinden van dit soort dingen?” Vraag de vader aarzelend. “Ik bedoel, ze zijn nu nog goed te sturen. Althans, mijn kinderen wel. Als mijn kind de pester was, dan was hij nog niet jarig. ” Inmiddels staat de moeder op hoge poten. “Denk je dat ik mijn kinderen niet goed opvoed? Hè? Omdat ik alleen ben? Je bent zelf zo’n mietje. dat komt nooit goed met jullie. Tssss.”

En ineens zie ik bomen. En appels. Ze vallen niet ver denk ik.